Ode aan mijn broer

Door: Henk Mulder

Winschoten, omstreeks 1960. Ik ben een kleuter van vier en lig op het karpet dat de vloer van de bescheiden bovenwoning aan de Engelstilstraat siert. Beneden is het keukentje, waar door mijn moeder Annie met petroleumstel gekookt wordt. Het gas in Groningen moet nog aan de gang komen. Op de begane grond is ook de schoenmakerij van mijn vader, Geert Mulder.

Ik lig dus op dat vloerkleed en met mijn hoofd op de flank van onze hond, Robbie. Robbie is komen aanlopen, niemand weet van waar. Als ontheemde is hij liefdevol opgenomen in ons gezin, vooral door de inspanningen van mijn grote broer Jan. Die is al vijftien en ligt ook in de kamer, stripboekjes te lezen. Hij kan het intussen niet laten te klieren. Hij peutert met zijn rechtervoet steeds in mijn zij. De rechtervoet die maar een paar jaar later door keepers in heel Europa gevreesd zal worden, maar dat weten wij dan nog niet. Als ik het zat ben ga ik klagen bij mijn moeder, die Jan terecht wijst. Een klein broertje heeft veel te verduren, terwijl een grote broer eigenlijk een hoger ontwikkeld verantwoordelijkheidsgevoel zou moeten hebben. Het zal niet lang duren voor de situatie zo is als hij zou moeten zijn. Echte broers, ook al is het verschil in leeftijd ruim elf jaar en zijn er verder geen broers of zussen. Mijn moeder zal vele jaren later heel treffend zeggen: ,,Ik heb twee keer één kind gehad.’’

Als broertje zal ik het hebben over dat eerste kind, geboren op 4 mei 1945, 45 45 dus. De oorlog in Oost-Groningen is pas een paar dagen achter de rug en Jan komt in het grensdorp Bellingwolde ter wereld. Daar komt de familie Mulder vandaan. Mijn moeder is uit Blijham, beide ouders komen uit een gezin van zes kinderen.

Jan Mulder mag dan in veler oren een naam zijn die meteen begrijpelijke associaties oproept, namelijk wat mijn broer allemaal heeft gedaan en nog doet. Dat is logisch als bekende Nederlander, oud-profvoetballer en televisiepersoonlijkheid. Mij klinkt die naam heel anders in de oren. Het wemelde van de Jan Mulders in onze familie. Mijn opa heette Jan Mulder, een oom heette Jan Mulder, twee volle neven heten Jan Mulder en mijn eigen broer heet Jan Mulder. De meesten van hen zijn al niet meer onder ons, zo gaat dat als de tijd verstrijkt, maar de klank van ‘Jan Mulder’ is er niet door veranderd.

Keren we terug naar het midden van de jaren zestig. Mijn broer blijkt een uitzonderlijk talent voor het voetballen te hebben. Hij wordt in het seizoen 1964-1965 met WVV kampioen van de Eerste Klasse C in het amateurvoetbal, bovendien als topscorer met 37 doelpunten in 22 wedstrijden. Hij speelt inmiddels ook al in het Nederlands Amateurelftal, dat er dan nog is. Dat hij gemakkelijk doelpunten maakt blijft natuurlijk niet onopgemerkt en profclubs beginnen interesse te tonen.

En zo kan het gebeuren dat aan de Parklaan in Winschoten, waarheen wij ondertussen verhuisd zijn, hoewel vader zijn schoenmakerij aan de Engelstilstraat houdt, ineens een limousine van Amerikaanse makelij halt houdt. Het is de Buick van Ajax-voorzitter Jaap van Praag. Het kleine broertje mag even in de auto zitten en spelen met de elektrisch bediende zijramen, dan een absoluut unicum. Mijn broer kan naar Ajax, maar ook naar GVAV. En ook nog naar de Belgische suikerstad Tienen, waarvan de gelijknamige club hem kent van een toernooi in Veendam. De club speelt echter niet in de hoogste afdeling, al gaan pap en Jan er wel kijken.

WVV speelt ook om het amateurkampioenschap van Nederland en treft in het zuiden des lands daarbij Chevremont in Limburg en Vlissingen in Zeeland. Tienen heeft topclub Anderlecht getipt en een afvaardiging komt kijken. Jan scoort er daar lustig op los en Anderlecht wil zaken doen. Natuurlijk word ik als klein kereltje niet op de hoogte gehouden van de onderhandelingen, maar ik begin te vrezen dat ik mijn broer binnen afzienbare tijd zal moeten missen. Brussel is een eind weg.

Het zal allemaal nog een jaar duren, omdat pap en mam vinden dat Jan zijn HBS moet afmaken. Dan is het grote moment daar. Ik ben 9, Jan 20 en wordt prof in België. In ons gezin moet ik als ‘enig’ kind verder.

Veel jongetjes in Oost-Groningen hebben niet wat ik heb: een broer die profvoetballer in het buitenland is. En toch vind ik dat zelf niet zo bijzonder, want het is allemaal geleidelijk gegaan. Alsof er geen andere route te verzinnen was geweest. Het vertrek van Jan naar Anderlecht levert WVV, de club waar ik uiteraard ook voetbal, naast de dan gebruikelijke drieduizend gulden vergoeding ook een clubhuis op. Dankbaarheid blijkt in de jaren daarna niet de grootste deugd van nogal wat clubgenoten. De afgunst is bij tijd en wijle voelbaar, de goeden overigens niet te na gesproken. Ik voel dat dan nog niet. Mijn vader, leider van het tweede elftal, vaak wel.

Jan gaat het goed. Ik ga geregeld met mijn ouders in de DKW naar Brussel om een wedstrijd te zien. Dat is dan nog een sabbatsreis, want pas bij Hooghalen begint de autoweg, bij Utrecht moet je nog langs de weg Maarn-Doorn, vervolgens dwars door Breda, langs Wuustwezel en Brasschaat, dwars door Antwerpen en dan naar Brussel. Ik zie mijn broer in 1966 in een topwedstrijd tegen Sint Truiden vijf van de zes doelpunten maken. Het stadion aan de Avenue Theo Verbeeck dreunt op zijn grondvesten. En als mij gevraagd wordt: waar was jij toen Jan Janssen de Tour de France won, dan is mijn antwoord: in België. We zijn in de zomervakantie die zondag 22 juli 1968 op de weg terug van Brussel naar Winschoten als mijn vader besluit in Antwerpen, we moeten er per slot van rekening toch dwars door, een café op te zoeken om de slottijdrit te bekijken. De Belgen zenden het wielrennen rechtstreeks uit als in Nederland daar nog niemand aan denkt. De Belgen denken dat Herman van Springel gaat winnen dus zit de zaal vol. Van Springel heeft de gele trui, maar Janssen is beter en wint de Tour met 38 seconden voorsprong. Mijn vader en mijn moeder durven hun vreugde niet te uiten. Ik, als kind, wel. Boze blikken zijn mijn deel, de uitbater schakelt meteen de televisie uit. Ik ben het tafereel tot de dag van vandaag niet vergeten.

Mijn broer haalt ook het Nederlands elftal, al krijgt hij als in het buitenland werkende speler weinig uitnodigingen. Ik schrik als hij een keer naar Wnschoten komt en aan tafel vertelt dat hij ‘wel Spaans kan gaan leren’. Omdat Real Madrid hem wil kopen. Real Madrid! Dat is Gento, Di Stefano, Puskas. Maar Madrid is wel heel ver weg. Uiteindelijk gaat de deal niet door en rouwig ben ik daar niet om.

Ik ben een brugklasleerling als een catastrofe ons treft. Onze vader overlijdt plotseling, hij is pas 49. Ik ben 13, Jan 24. Hij staat op het punt met Anderlecht naar Milaan te vliegen voor de tweede halve finale UEFA Cup tegen Inter. Hij komt naar huis, speelt niet mee. Onze vader was zijn grootste supporter en de twee bespraken alles met elkaar. Jan heeft pap gekend terwijl beiden al volwassen waren, voor mij blijft mijn vader een vader die slechts vanuit kinderogen is gezien. Dat weet ik dan nog niet. Mijn broer is geschokt, maar wel degene die zijn puberbroertje vraagt of hij zijn gestorven vader nog één keer wil zien. Ik weet het niet goed, maar Jan zegt dat hij meegaat. Zo gaan we met zijn tweeën en voor het eerst voel ik me tot in elke vezel broer.

In vakanties ga ik met de trein van Winschoten naar Brussel, station zuid, en wordt daar opgehaald door mijn broer. Ik mag in het stadion van Anderlecht overal komen, tot in de kleedkamer waar masseur Fernand Beeckman met zijn snor een markante figuur is. Hij reist in 1970, kort na mijn vaders overlijden, met het Belgisch elftal naar het WK in Mexico en stuurt twee keer een kaart naar mij. Ik bewaar en koester die kaarten nog altijd. Van de medespelers van mijn broer is Kongolees Julien Kialunda mijn favoriet. Ook van hem krijg ik kaartjes toegestuurd met teksten als: j’espère que tu te portes bien, Julien. Beeckmans is er niet meer en ook Julien is dood.

Dan komt het Belgische avontuur abrupt tot een eind. Mijn broer tekent voor Ajax. Ajax! Ik weet niet wat ik hoor, ik heb sympathie voor Feyenoord sinds dat in 1963 de halve finale van de Europa Cup heeft gehaald. Maar, alles went en het is toch je broer. Hij motiveert zijn beslissing met: ik wil prijzen winnen en dat doet Ajax. Bovendien kan hij met Johan Cruijff samenspelen. En zo kom ik als inmiddels bijna 16-jarige terecht in Watergraafsmeer, temidden van de voetballers die het Nederlands voetbal definitief op de kaart gaan zetten. Met Ajax en het Nederlands elftal op het WK van 1974.

Naarmate de tijd vordert naderen broer en broertje zich langzaamaan. De oudere begint de jongere toch wat meer als zijn gelijke te zien en dat merkt de jongere. Advies geven over de schoolkeuze natuurlijk. Jan haalde zijn HBS uiteindelijk niet, hij stimuleert mij om na de Havo ook het VWO te doen. Het lukt mij wel de diploma’s te bemachtigen en Jan laat mij merken dat hij daar respect en waardering voor heeft.

Door de jaren heen zijn wij altijd in het Gronings tegen elkaar blijven praten, tenzij er mensen in het gezelschap zijn die het niet machtig zijn. De band is ook daardoor heel sterk gebleven. Na het gedwongen einde van de voetballoopbaan van mijn broer duikt hij al gauw de wereld van het schrijven en de televisie in. Ik wil studeren, maar de krant lijft mij in en zo word ook ik een schrijver. Dat schept een band.

Ik als voetbaljournalist en hij als voetbalanalist. Zo wisselen wij vaak meningen uit. Er zijn familiebijeenkomsten als Kerst waar Jans vrouw en mijn schoonzus Johanna ons de heerlijkste diners voorschotelen en we lekker discussiëren over voetbal, de politiek. Dat is Mulders eigen. Mijn broer wordt voor mijn kinderen Oom Jan. Dat klinkt ons, broers, als muziek in de oren. Mijn vaders lievelingsbroer (en omgekeerd) was Jan. Onze Oom Jan, van tante Sientje. En nu is mijn broer Jan Oom Jan.

En als broer houd ik van hem. Gewoon omdat hij een goeie vent is. Hij is een Mulder en dat is iemand die van het leven houdt en er met volle teugen van geniet. Houd vol Jan!


Henk Mulder

Over Henk Mulder

Hij is een oer-Groninger. Geboren en getogen in Winschoten. Henk Mulder schrijft z'n hele leven al over voetbal en aanverwante zaken. Hij is in dienst van het DvhN en struint tegenwoordig door Oost-Groningen. In z'n vrije tijd is Henk bestuurslid technische zaken van het roemruchte WVV. Met enige regelmaat produceert hij een column voor Sport in Stad.