De beste trainer is een lieve trainer

Door: Henk Mulder

Een paar weken geleden was ik op de koffie bij Arie Haan. Om over zijn jeugdtijd bij ons beider voetbalclub te praten. Zoals dat gaat bleef het daar niet bij. Terwijl op de achtergrond CNN aan bleef staan om ons op de hoogte te houden van de verwikkelingen rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen, vlogen de anekdotes over tafel. Uit de tijd in Winschoten, maar dat waaierde al snel uit naar alle windstreken der aarde.

Wat mij daarbij het meest boeide waren de ervaringen die hij over de beste principes van het voetballen opdeed en als trainer later in de praktijk probeerde te brengen. Wat is belangrijk?

Terug thuis ging ik er over nadenken. Wat maakt een voetbaltrainer tot een goede voetbaltrainer? Als er nu een verkiezing zou worden gehouden wie de beste trainer uit de geschiedenis van FC Groningen is, wat zou daar dan uitkomen? Is het Ron Jans, Danny Buijs, Hans Westerhof, Han Berger? Ik verwacht niet dat Rob ‘dug-out-in-de-fik’ Jacobs en Dwight ‘e viva España’ Lodeweges, veel kans maken om met de eretitel te gaan strijken.

De belangrijkste afweging om iemand de voorkeur te geven zal in veruit de meeste gevallen die van de prestaties zijn. Maar is dat wel de juiste afweging om een trainer te beoordelen? Ik heb mijn amateurclub een aantal jaren als technisch bestuurslid gediend en kwam in die functie uiteraard veel in aanraking met trainers. Voerde sollicitatie-, doelstellings-, voortgangs- en evaluatiegesprekken met hen. En over een zittende of eventueel nieuw te benoemen hoofdtrainer werd er overleg gepleegd met spelers.

Alles terug overziend had dat in een aantal gevallen wel wat beter gekund. Je kunt je als club behoorlijk vergalopperen door te veel je oor te laten hangen naar de mening van voetballers. Beter is het de visie van de gehele vereniging te laten prevaleren en niet in de verlokking van het succes op korte termijn te tuinen. Maar dat valt niet mee. Er zijn zoveel deelbelangetjes. Doorzie je die niet of niet goed genoeg, dan ben je gedoemd om de mist in te gaan. Dan denk je zeker te weten het beste voor de club te doen om er later achter te komen dat het heel anders had gemoeten. Dat het beter was geweest jouw mening als leidinggevende door te drukken in plaats van op de zogenaamd harmonieuze toer te gaan. Bij onze club vertrok een trainer omdat hij na een promotie de vereiste papieren niet had. De nieuwe trainer presteerde goed, maar de spelers pruimden hem niet en wilden hem halverwege het tweede seizoen kwijt. Dat hebben we gedaan al kostte het de vereniging wat centjes. Ook ik was te bevreesd voor de negatieve gevolgen als we niet naar de zin van de spelersgroep handelden. Maar het was een zwarte bladzijde, op het menselijk vlak.

Daarna werd, weer in overleg met de spelers, een profielschets opgesteld en trokken we aan de hand daarvan een trainer aan die ook in onze ogen precies paste. Het was Jan Kloetstra uit Hoogezand. Een geweldige kerel binnen de club, een vaderfiguur voor de voetballers en ofschoon hij al wat ouder was, een man ook die met jonge voetballers mee kon denken. Hij wekte vertrouwen, was sociaal en enthousiast. Als het al eens een keer mis ging was hij niet te beroerd om de spelers te vragen of hij het misschien verkeerd had gedaan. Dit was de trainer die we moesten hebben. Na twee seizoenen zou zijn contract nog eens met een jaar verlengd worden, hij was de juiste man op de juiste plaats. Dat zou gebeuren tijdens een trainingskamp in januari in Benidorm. Daar verscheen als een donderslag bij heldere Spaanse hemel een kink in de kabel. De heren voetballers vonden de trainingen ineens te saai en het effect was volgens hen wel zo’n beetje uitgewerkt. Goede raad was duur, wat te doen?

Met de wetenschap van nu hebben we, ik met name, de grootste blunder begaan die we konden maken. We hebben andermaal de mening van de jongens overgenomen en er naar gehandeld. Hadden we dat niet gedaan, dan was onze club nu veel verder geweest in ontwikkeling, daar ben ik van overtuigd. Als je als club er zeker van bent de juiste man op de juiste plaats te hebben, blijf daar dan bij. Het bestuur zet het beleid uit, niet de spelers.    

Zoals gezegd, pas te laat werd het allemaal kraakhelder. Door een Engels krantenartikel over de terugkeer van Leeds United naar de Premier League. Deze ‘ sleeping giant’ trok een wonderlijke man als trainer aan: Marcelo Bielsa. Deze eigenzinnige Argentijn is er de oorzaak van geweest dat Pep Guardiola trainer werd. Die wilde dat helemaal niet, eigenlijk was er na de beëindiging van zijn actieve carrière geen haar op zijn hoofd - al waren die toen al heel dun gezaaid – die daar aan dacht. Tot hij met een vriend tijdens een reis door Zuid-Amerika in Buenos Aires belandde bij Bielsa thuis. Er kwam in de late namiddag een wijntje op tafel en er ontspon zich een gesprek dat steeds diepgaander werd. De vriend gaf het op enig moment op en ging naar bed, Marcelo Bielsa had er op gestaan dat de twee bleven logeren. Toen hij de volgende ochtend wakker werd zaten Bielsa en Guardiola nog aan tafel. En wat zei Pep? ,,Ik word trainer, zeker weten.’’ Marcelo Bielsa had Guardiola overtuigd door een gepassioneerd betoog over de waarde van het voetbal. Voor spelers en publiek. Dat moet plezier zijn, het spel moet aantrekkingskracht hebben voor zowel de toeschouwers als de uitvoerders.

Om dat doel te bereiken heeft de trainer een aantal eigenschappen nodig. Hij moet veeleisend zijn, maar altijd steunend, vertrouwen gevend aan zijn spelers. Een warm gevoel overbrengn en vooral: geen verschil maken in de benadering van de individuen in de zin van ongelijke behandeling. Veel trainers, ook in de amateurwereld, klampen zich vaak vast aan belegen privileges van spelers. Kortom, ze scheppen een hiërarchie. Die is daardoor in de meeste gevallen kunstmatig of zelfs radicaal fout en zal remmend werken op het plezier en daardoor uiteindelijk op het eindresultaat. Een mooi voorbeeld is het gedoe rond rugnummers. Spelers hebben er vaak een voorkeur voor. Meest gewild: het nummer tien. Dan ben je centrale figuur, de beste. Zogenaamd dan. Maar wat zegt een nummer? Het enige rugnummer dat je in het veld nooit te zien krijgt is je eigen. Goeie tip voor een goeie trainer: deel nummers uit op basis van een alfabetische volgorde. Nooit gedoe, geen discussies. Niemand al van tevoren bevoor- of benadeeld. Je zou er ook een tombola van kunnen maken: een nummertje uit een bak trekken.

Het gros van de trainers heeft op basis van hun opleiding verstand van het spel. Verstand hebben van karakters – en die hebben voetballers – is een heel ander chapiter. Warmte en genegenheid geven voorziet in een beter resultaat dan schelden, tieren en voortdurend de nadruk leggen op tekortkomingen en fouten. Breek ze niet af, bouw ze op. Voetbal is in zijn aard een spel van tekortkomingen en fouten, anders zou het wel met de handen gespeeld worden. Bovendien: het heet nog altijd een ‘spel’. Spelers zijn mensen die spelen. Het is gek om te bedenken dat we een totaal uiteenlopende associatie met hetzelfde werkwoord hebben ontwikkeld omdat het nou eenmaal om voetballen gaat. ‘Hij speelt zondag’. Wanneer dat over een voetballer gaat is het een hoogst serieuze mededeling. Zou het een kind betreffen dan denken we meteen aan een kleuter die tussen de blokken zit. Dat is toch raar?

In mijn laatste periode als bestuurslid ontstonden er scheurtjes tussen mij en een deel van het bestuur. Over dit onderwerp. Wat voor soort trainer moet je hebben? We kregen er geen ruzie over, maar het toekomstbeeld werd wat mij betreft vertroebeld. Al heeft de corona in die zin tot nu toe wat tegenslag en ellende weten te voorkomen. Maar ik vond dat het genoeg was en deed een stap terug. Zonder wroeging, want van een hoop andere kopzorgen bij een club van zevenhonderd leden ben je dan ook meteen af.

Meerdere keren heb ik mensen voorgehouden door wie de club is opgericht. Door jongens van veertien, vijftien jaar. Kinderen nog. Die gingen spelen. Met enthousiasme. Hun spel is niet veel later gekaapt door volwassen die er steeds gewichtiger over gingen doen. En dat is bijna overal op de wereld zo gegaan. En zo kijken we er vandaag de dag ook nog naar. Serieuze panels op de televisie, trainers met ingewikkelde tactieken en dito uitleg na afloop waarom het toch allemaal de mist in ging.

Laten we eens een momentje afstand nemen. Even door een andere bril kijken. Dan is het nog steeds zo dat volwassen mannen (en tegenwoordig ook veel vrouwen trouwens) in een kort broekje achter een stuk speelgoed aanlopen. Zijn kunnen zich een tijdje weer even kind voelen, al hebben ze dat zelf door alle moeilijkdoenerij er rond omheen niet eens meer in de gaten. Ze spelen een spel. Zó zou een trainer er naar moeten kijken. Benader de spelers die een spel spelen met liefde en zorg. Dan zullen ze je als een vader beschouwen en voor je door het vuur gaan. Met alle liefde voor het voetbal die in hen zit.

Dus een ongevraagd advies aan besturen van voetbalclubs: bekijk het allemaal eens van deze kant en trek op basis hiervan je trainer aan. Succes verzekerd, al ben ik er zelf net te laat achter gekomen.


Henk Mulder

Over Henk Mulder

Hij is een oer-Groninger. Geboren en getogen in Winschoten. Henk Mulder schrijft bijna z'n hele leven over voetbal en aanverwante zaken. Nu is hij officieel pensionado. Henk produceert met regelmaat columns voor Sport in Stad en is bestuurslid technische zaken van het roemruchte WVV.