Mijn liefde voor het stalen ros

Door: Leo Wassing

Het moet in de zomer van 2014 zijn geweest. Toen kocht ik mijn eerste racefiets. Een Matra. Of, zoals de webshop het destijds zo mooi formuleerde, “de Matra Pursuit Road Bike is uitermate geschikt voor de beginnende racefietser.” Beginnend was ik zeker. En het was nodig, want de erfenis van het Groninger studentenleven en het stoppen met voetballen liet zijn sporen na. Maar dat terzijde. De liefde voor wielrennen is veel eerder ontstaan.

Al sinds de basisschool kijk ik naar koers op televisie. Tijdens de vele warme julimaanden in Nederland zat ik binnen. Zes uur lang zat ik in huis voor de tv voor weer een spectaculaire (of saaie) bergetappe in, het voor mij toen verre, Frankrijk. Hoe ironisch: daar ondervind ik nu nog enige hinder van. Door het wekenlang binnen zitten in hartje zomer, heb ik waarschijnlijk zo weinig pigment aangemaakt dat ik tegenwoordig pas na honderd fietsritjes in de zomer wat kleur op mijn benen krijg.
 
Enfin, ik ben, zoals zovelen met mij, opgegroeid met het kundige commentaar van het illustere duo Mart Smeets en wijlen Jean Nelissen. Later trok Smeets mijn aandacht als presentator van de Avondetappe, langs de mooiste Franse dorpjes en kasteeltjes om zijn licht te laten schijnen op de koers. ‘De Mart’ in combinatie met de Tour was voor mij jarenlang het wielrennen. Zijn stem en gezicht zijn voor mij onlosmakelijk verbonden met de koers. Door zijn duiding ben ik ervan overtuigd geraakt dat wielrennen veel meer betekent dan alleen hard trappen. Zijn enthousiasme, wielerkennis en -romantisme werkte bovendien aanstekelijk. “Dit is Frankrijk mensen. Op slag van twaalven. Hier zijn de violen. Parijs is nog ver [Buenas Noches Mi Amor], chin chin.”

In die tijd, als kleine jongen, heb ik ooit weleens gefietst op een racefiets van mijn vader. Een zilverkleurige Peugeot en die fiets bestaat nog steeds. Is nu vintage. Het zadel van de Peugeot moest altijd wel zo dicht mogelijk op het frame. De wielen waren veel te groot voor mij en ik reed op sportschoenen. Dus zonder klikpedalen, waarvan ik toen het bestaan nog niet wist. Maar toch waande ik mij op die zilverkleurige fiets in en rond mijn geboortestad Delfzijl een heuse Michael Boogerd, Jan Ullrich, Erik Zabel, Bjarne Riis, Francesco Casagrande of uiteraard later Lance Armstrong. Ja, wielrennen prikkelde als kind ook erg mijn fantasie. Nu nog trouwens, als inmiddels dertigjarige.

Toch koos ik, toen ik voor het eerst lid mocht worden van een sportvereniging, voor voetbal. Omdat simpelweg al mijn vrienden toen voetbalden en niet fietsten. Ja hooguit naar school. En de zilverkleurige Peugeot was mij dus te groot. Actief wielrennen, nee dat deed ik niet. Hooguit deed ik klimmer Richard Virenque of Ullrich na op de dijk in Delfzijl of op de Woldweg, bij de brug Eemskanaal Zuidzijde in Appingedam, richting Schildmeer. Inclusief kruisje slaan als jouw wiel als eerste de brug passeerde. Maar zelfs Le Tour Dopage in 1998 en later de ontmaskering van Armstrong e.v.a. deed niets af aan mijn liefde voor wielrennen. Ik bleef trouw kijken. En luisteren trouwens. NOS Radio Tour de France met wijlen Jacques Chapel mag hierbij niet onvermeld blijven.

Na jaren van voetballen begon het studentenleven en alles wat daarbij hoort meer en meer de overhand te krijgen, naast school en werk. Maar ik had toen nog steeds geen eigen racefiets, terwijl mijn buik wel steeds meer in de weg ging zitten. Zelfs op een gewone fiets. En ineens begon het. Bij vrienden. Zij kochten een voor een spiksplinternieuwe fietsen. Racefietsen. Daar zaten ook fietsers bij die amper één Tour de France-etappe in hun leven live hebben uitgekeken. Die geen idee hadden wat er werd bedoeld met chasse patate (“soort friet of zo?”), harken (“in de tuin?”), een gat dichtrijden (“de weg is ja egaal?”), aan het elastiek hangen (“dat is iets voor postbodes!”), grinta (“nee, eet ’s ochtends wel brinta?”), linkeballen (“…?”) of op een koffiemolentje draaien (“drink alleen maar thee”). Termen die voor mij als vanzelfsprekend waren, dankzij Smeets, Nelissen en later Herbert Dijkstra en Maarten Ducrot. En ik had geen racefiets. Een ‘prettige’ bijkomstigheid was dat ik op dat moment, in 2014, in Haarlem woonde. Ik deed daar überhaupt niet aan sport, maar dat mijn vrienden racefietsen hadden gekocht, zette mij ook aan het denken. Ik moest wel. Ik had mij op dat moment echter niet verdiept in de soort racefiets. Daar hadden Smeets en zijn wielerevangelisten vroeger immers ook weinig aandacht voor. Niet het materiaal, maar de renner stond centraal. Wist ik veel.

Maar het werd dus de Matra. De Matra Pursuit Road Bike. “Is uitermate geschikt voor de beginnende racefietser. Zeker als je opzoek bent naar een lichtgewicht racefiets maak je met deze Matra Pursuit Road Bike de goede keuze. Deze racefiets beschikt namelijk over een aluminium frame met een gewicht van 10.5 kilogram. Verder is deze racefiets uitgerust met 14 Shimano-versnellingen (2 bladen voor een 7 bladen achter) en een raceremhoef om direct stil te kunnen staan als dit nodig is. Inclusief racepedalen.”

Eerlijk, klinkt goed, toch? Precies, dat dacht ik toen ook. Ik mag dan wel meer dan honderd etappes in de Tour de France van start tot finish hebben gezien, op het gebied van materiaal was ik een leek. En daar kwam ik vrij snel (pijnlijk) achter. Om precies te zijn na rit één. Want: zonder zeem gefietst en met sportschoenen in de ‘racepedalen’. Maar god, wat was ik trots toen ik van Haarlem naar Zandvoort fietste, door de schitterende duinen. Ik werd weer dat jongetje van twaalf jaar oud. Ging fantaseren. “Het lukte Marijn de Vries toch ook? Zij kocht op haar 28ste pas haar eerste fiets en werd op haar dertigste prof.” Op de terugweg waren die gedachten als (zwarte) sneeuw voor de zon verdwenen. “Oh, dit bedoelen ze zeker met een hongerklop?”. Nou, dit wás niet eens een hongerklop. In de verste verte niet. Ik had mij de heenweg, een ritje van amper 15 kilometer, gewoon zo ongelooflijk leeg gefietst, dat ik niet harder dan 15 kilometer per uur naar huis trapte. “Hoe ging het schat?”, vroeg mijn vriendin Rozemarijn na afloop. “Wel goed, fietst lekker en de natuur is prachtig”, lieg ik. Met een illusie armer en ervaring rijker ga ik slapen.

Toch besluit ik de dagen daarna door te zetten. En weer op te stappen. Langzaamaan kwam de voldoening en tegelijkertijd het besef: ik heb nieuwe fietskleren nodig. In ieder geval een broek met zeem. En nieuwe schoenen, helm en bril. Uiteindelijk was ik honderden euro’s lichter, maar het plezier nam minstens zo veel toe. Die zomer heb ik grotendeels doorgebracht op mijn Matra. We werden maatjes. De racepedalen werden vervangen door klikpedalen. De reflectoren (ja, echt) in het wiel gingen eruit en de snelheid nam toe. Tot de winter (lees: eind september) kwam, toen stond mijn maatje veilig binnen en begon ik aan mijn Ullrich-winter.

Het jaar daarna pakte ik het fietsen op toen de zon zich actiever liet zien. Ik was klaar met mijn Matra en verkocht ‘m aan een man die de fiets wilde gebruiken voor in de heuvels. “Succes ermee, hoor ik mij nog zeggen tegen de vriendelijke koper.” Inmiddels had ik iets meer verstand van racefietsen. Je hebt ruwweg drie categorieën: goedkoop, betaalbaar en duur. Matra viel overduidelijk in die eerste categorie. Mijn tweede fiets was betaalbaar. Een tweedehands Ghost. Duits merk. Volledig van carbon met Shimano-onderdelen. Daar heb ik met heel veel plezier op gefietst. Voor het eerst naar de heuvels in Limburg (Amstel Gold Race en Limburgs Mooiste) en met de fiets in de trein naar het Noorden voor de Winsumer Wierdentocht, om die tocht van met vrienden te fietsen. Tot 13 augustus 2016 (handig zo’n Strava-archief). In een van de vele ritjes naar Scheveningen kreeg ik materiaalpech: op onverklaarbare wijze een scheur in de achtervork met als gevolg dat de derailleur in het achterwiel schoot. Een nieuwe racefiets kopen was goedkoper dan mijn fiets van carbon te laten repareren. En dat moest snel, want een paar dagen later zou ik de Bauke Mollema Tocht voor het eerst fietsen. In datzelfde weekend was ik de trotse eigenaar van een Sensa Trentino. Een Nederlands merk uit Almelo. Betrouwbaar, degelijk en stabiel. Tot op de dag van vandaag rijd ik daar met gemak mijn ritjes mee.

Vorig jaar zomer maakte ik tot nu toe de meeste fietskilometers in een jaar: ruim 3.000. En een langverwachte droom ging eindelijk in vervulling: samen met vrienden naar de Franse Alpen om te fietsen in de buurt van Bourg d'Oisans (dit jaar startplek in de dertiende Touretappe). Col d'Ornon, Col de la Morte, Col de la Croix-de-Fer, Col du Lautaret, Col du Galibier, Col d’Oz, La Bérarde, Col du Solude en uiteraard Alpe d’Huez stonden op het programma. Als klein jongetje zag ik op televisie renners daar helden of juist antihelden worden. Achttien jaar later onderging ik vooral in gedachten hetzelfde lot. Enorm afzien tijdens Col de la Morte (doet zijn naam eer aan) of Alpe d’Huez, maar tegelijkertijd met een glimlach de Col de la Croix-de-Fer op fietsen. Het waren tien dagen in een snoepwinkel. Ik voelde mij op en top wielrenner. Dit gedicht over ‘de Bergpas van het IJzeren Kruis’ van de Belgische wielerdichter Paul Rigolle verwoordt de schitterende ervaring van het klimmen. 

En zo gebeurt het dat je op een dag
een man geworden bent die op een fiets
een berg bedwingt.
De Col de la Croix-de-Fer
is de naam. Water stroomt de helling af,
sneeuw glimt in de verte in de zon.


Het landschap beneemt de adem, slijpt zich
in de ogen vast, benevelt je als de gedachte
in een droom. Herauten als Ignolin en Camellini
zijn ons voorgegaan. Coppi en Bartali, ook zij
reden ooit de Barrage de Maison voorbij.


Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!
De weg die klimt sloopt wat je voor het laatst
had opgespaard. Het leven hier heeft aan zichzelf
genoeg. Een intens geluk is het om voor eeuwig
en een dag in dit decor een figurant te mogen zijn.


Ondanks de vele kilometers in de zomer, hield de fiets opnieuw  een lange winterslaap. Storen deed ik de fiets niet. Totdat ik op het werk een iets te grote mond had. “De Ronde van Drenthe? Leuk, schrijf mij maar op.” Op 10 maart begon mijn wielerseizoen in Drenthe. Ongetraind. Honderdtwintig kilometer over gladde wegen en kasseien. De eerste zestig kilometer kwam ik nog goed door. Weinig kopwerk gedaan ook. Na de eerste echte kasseienstrook in het bos kwam de man met de hamer langs. Ik lag eraf. Met twintig kilometer per uur fietste ik het tweede gedeelte van de ronde uit. Harder kon niet. Om de minuut naar mijn kilometerteller kijken. Mezelf vervloeken. Het fietsen vervloeken. De fiets vervloeken. En vooral de drank vervloeken. Een lijdensweg. Maar die donkere gedachten maakten na de finish plaats voor optimisme. Verdorie, ik heb de Ronde van Drenthe toch maar mooi uitgefietst! Het wielerseizoen was daarmee officieel begonnen voor mij en ik besloot mij in te schrijven voor het NK Journalisten in Stad, op 8 april.

Daar verscheen ik opgewekt aan de start op de Vismarkt. Ik had na de pijnlijke Ronde van Drenthe weer twee keer gefietst. De beentjes deden het werk weer. Dacht ik. Ik deed mee in de B-categorie, fietsers zonder licensie. De A-categorie was, zo dacht ik, voor de Thijs Zonnevelds van deze wereld. Oud-profrenners die nu over wielrennen schrijven. In die categorie had ik zeker geen schijn van kans. Maar na één ronde, notabene een neutralisatieronde, was ik weer een illusie armer. De A- en B-categorie vertrokken samen voor een verkenningsrondje. Het was een schitterende route: van de Vismarkt door de Oude Boteringestraat naar het Noorderplantsoen en via de kasseien aan de Oranjesingel en Hoge der A terug naar de Vismarkt. Tijdens dat verkenningsrondje zat ik direct achter het peloton. Reden? Ik heb nog nooit in een gesloten peloton gekoerst en de snelheid lag rond de veertig kilometer per uur. Het ging gewoon te hard voor mij. Na de neutralisatieronde werd het tempo nog wat verder opgeschroefd en fietste ik al moederziel alleen door de Oude Boteringestraat. Ik werd vroegtijdig uit koers gehaald en finishte als twaalfde (van de veertien deelnemers), drie ronden achter winnaar Loek Mulder van RTV Noord. Dat is niet goed voor je moraal, kan ik je vertellen.

Toch zorgt dat er juist voor dat ik blijf fietsen. Grenzen stellen. Doorgaan. Hard zijn voor jezelf. Kilometers maken. En vooral je hoofd leegmaken tijdens het fietsen. Daar haal ik ongelooflijk veel voldoening uit. Net als het schitterende landschap dat je onderweg tegenkomt in Groningen en Drenthe. Al fietsend krijg ik zelfvertrouwen. Dingen die ik nooit van mijn lijf gedacht had, blijk ik ineens te kunnen. Wielrennen: het is de pijn en het genieten. Dit is mijn vijfde fietszomer en ik kruip sinds die zomer van 2014 richting de 10.000 gefietste kilometers (op Strava). Een mijlpaal voor mij. Nu de winters nog actief doorkomen op de fiets. Want dan ben ik nog veel te veel Ullrich.


Leo Wassing

Over Leo Wassing

Hij is geboren en getogen in Delfzijl. Acteerde in het eerste elftal van het eens zo roemruchte Neptunia en doet het tegenwoordig in de zaal namens Estudiantes in Stad. Werkte voor Fox Sports en RTL. Is nu bureauredacteur van RTV Drenthe. Woont met vriendin Rozemarijn in Stad. Leo schrijft met enige regelmaat een column voor Sport in Stad